De drumband

De bel gaat. Het is een jongen van Nuon. Hij wil me stroom aansmeren. Ik heb net een contract van 3 jaar afgesloten bij een concurrent. Hij wil weten of ik goed heb vergeleken en wat ik betaal. Even goede vrienden maar ik wimpel hem af. Dat gaat hem niets aan. Ik doe zelden mee aan het contract gehop.
Het is die dag het enige belletje. Meestal is het doodstil op ons plein. Eerder beschreef ik hoe het gros van de buren achter dichte gordijnen of rolluiken zich hebben verschanst voor de buitenwereld. Hoogstens komt nog de postbode. Als uitgewerkten zijn we in feite een soort hulppostkantoor voor onze kooplustige buren op internet.

Nee dan vroeger. Toen kwam alles naar je toe. De bakker, melkboer, aardappelman, voddeman, olieman, kledenklopservice, groenteman, visboer, de scharensliep, de kolenboer, het straatleven was een en al dynamiek. Rond elke thuisbrengservice zat een sociaal samenzijn. En als het echt feest was kwam er een volkszanger door de straat. Mijn ouders gooiden dan een muntstuk uit het raam in zijn pet. Ik vrees dat als hij nu zou komen hij zou worden gearresteerd door de wijkagent. Alhoewel ik die nog nooit heb gezien.
Het meest mis ik de drumband. Liefst voorop gegaan door een aantal majorettes die hun stokken meters hoog in de lucht gooiden. In de 40 jaar dat ik in Zoetermeer woon heb ik nooit meer een drumband door de straat zien marcheren. Drumbands bestaan ze eigenlijk nog wel? Zo ja, mensen ga weer eens marcheren. Zonder evenementen vergunning. Door de straten. Ik sluit aan.

Advertenties

Een stille held

20180505_133027
Kruis van verdienste door Prins Bernard

Ik heb me niet gemengd in de discussie rond dodenherdenking. Verschrikkelijk was die. Ik moest daarentegen meer dan ooit denken aan mijn oom Nico, een verzetsheld. Inmiddels al weer bijna 40 jaar dood. Hij ligt begraven op de begraafplaats van het klooster van de paters van de H.Familie in Kaatsheuvel. Zijn medailles liggen op de zolder bij mijn broer met nog wat persoonlijke spullen. Veel had hij niet.
Oom Nico wilde missionaris worden, uitgezonden naar Chili. Zou het toeval zijn dat Bram later studeerde in Chili besef ik ineens als ik in wat stukken duik. Hij kreeg echter TBC waardoor hij voor uitzending werd uitgesloten.

20180505_133107
25 jaar

Oom Nico ging tijdens de WOII in het verzet. Vanuit Tilburg smokkelde hij Franse en Engelse piloten en Joden over de grens. Of hielp Joden aan een onderduik adres. Hij hielp mijn vader, zijn broer, door met een vals Ausweis voedsel Amsterdam binnen te smokkelen. En hij schijnt betrokken te zijn geweest bij de overval van bureau bevolking in Tilburg. Bij het vervoer van een radio werd hij gearresteerd. Oom Nico belande via Utrecht, Haaren in kamp Siegburg. Daar moest hij onder erbarmelijke omstandigheden graven delven. Over wat hij deed zweeg hij ook als het graf. Niet alleen tijdens, maar ook na de oorlog kwam er tegen wie dan ook, zelfs zijn eigen broer, geen woord over zijn lippen wat hij had gedaan en meegemaakt. Zelfs niet later toen hij last bleek te hebben van PTSS en hij vreemde dingen deed. In het kamp liep hij de tyfus op en uiteindelijk werd hij binnengebracht in Maastricht na de bevrijding.

20180505_132958
Familiefotograaf

Met feestdagen kwam hij logeren. Wij keken er naar uit. Hij nam altijd cadeautjes mee en snoep. Daarnaast maakte hij foto’s van ons. Het fotoarchief van onze familie past in 1,5 plakboek. Zonder oom Nico had het in een half plakboek gekund.
Later kruisten we de degens over linkse en rechtse thema’s. Hij, die niets moest hebben met de communisten, en ik die links was en tegen de Amerikanen. De discussies eindigden vaak met ruzie. De communisten moesten allemaal maar de zee in lopen. Hij werd steeds strenger in het katholiek geloof en probeerde mijn vader die niet zo fanatiek kerkelijk was te “bekeren”. Zijn blaadje de ‘Katholieke Stemmen’ werd door mijn vader in ontvangst genomen maar ik heb hem nooit er één letter in zien lezen. Het zal duidelijk zijn dat de discussies over abortus tussen hem en ons (mijn broer, zus en ik) ook vruchteloos waren.
Toch was het een fijne man. En zo bedacht ik vorige week, een held die veel mensen heeft geholpen en nooit iets terugverlangde. Zijn hele leven sleet hij als leek in het klooster. Toen hij begreep dat het missionarisschap niet mogelijk was hoefde het paterschap niet meer.
Oom Nico leeft voort in onze familie. Mijn broer heet zo en ons jongste zoon draag als derde naam ook de naam Nico. Oom Nico is onze familietrots. En wat had ik graag met de wijsheid van nu over die oorlog van toen willen praten. Zijn verhalen willen aanhoren. Maar hij zou gezwegen hebben net zo als mijn eigen ouders. De oorlog daar praat je niet over. God zij dank doen we dit nu wel en gedenken we al die gewone mannen en vrouwen die verder gingen waar andere terugstapten. Bedankt oom Nico, ik blijf je herdenken.

Koek en zopie


Gewoon een raampje. Nou gewoon? Waarom zit dat raampje er? Plaats van handelen: Postjeskade Amsterdam. Het water daar is altijd “warm”, maar één jaar lag er voldoende ijs om te schaatsen. Alhoewel langs de randen het water soms omhoog kwam. Het was in de winter van 1962 en 1963. Waar in maart nog sneeuw lag in de straten. Waar je sliep onder stapels oude dekens en winterjassen. De kachel in de woonkamer de enige warme plek was in huis. En het kolenhok snel leeg was zodat bijna dagelijks de gang naar de fietsenmaker werd ondernomen om kleine zakjes antraciet te halen. En het ijs niet van de ruiten kwam.
In die winter vroor de Postjeskade eindelijk dicht. Op weg naar school kwamen we er langs. En wij schaatsten, schaatsten en schaatsten. Op onze onderbind schaatsen. Met je vingers zo koud dat je de knopen niet uit de banden kreeg. Of de bandjes knapten, verspocht van het vocht. En bij het pootje over bengelden de schaatsen naast mijn laarzen. Blauwe knieën van het vallen. De winkelier zag er wel brood is. Snel hakte hij een gat in zijn schuur en het werd een koek en zopie raam. Daarom zit daar nog dat raam. Een relikwie van een koud verleden zorgvuldig opgeborgen in ons geheugen.
 

Het pleintje

Het is nu een verwaarloosd gemeentetuintje. Verboden om te spelen. Plaats van handelen? Ons plein in de Curaçaostraat hoek Arubastraat. 60 Jaar geleden was het nog een echt speelpleintje. Het domein van de straatjeugd. Buitenspelen tot de lantaarns aangaan. Tussen kerst en nieuwjaar brandde bijna permanent het kerstvuur. Kerstbomen worden uit de ramen gegooid en wij slepen ze snel naar de brandstapel. Met opgerolde kranten als fakkels helpen we de ontbranding een handje. Is er geen vuur dan wordt er gevoetbald. Soms met doelen van jassen maar meestal is de regenpijp  het doel. Alle schoten op de pijp tot de knobbel is een punt. Opraaien levert de partijen.
De ramen van de gymzaal zijn gevaarlijk. Flinterdun enkel glas. Het komt wel eens voor dat de ruit sneuvelt. Dat is rennen geblazen en meestal is de bal pleitte.

Op een foto ontbreken auto’s. Naast voetbal op het plein is de straat ook bruikbaar om te putten. Voetbal met een tennisbal en de rioolputten als doel. Hier leerden we de fijnzinnige techniek die NL ooit een groot voetballand maakt. Maar ook tollen met een zweep of priktol. Met krijt worden indrukwekkende hinkeltableaus uitgewerkt. De straat is perfect voor de zeepkisten. Een platte plank met assen en kogellagers. Het verkrijgen van kogellagers lukt slechts enkelen. En echte wieltjes van kinderwagens zijn helemaal onbereikbaar voor het gros. De straat is ons domein. De straat is nu verboden om te spelen. Ja, waar zijn de kinderen eigenlijk gebleven?
Op de beeldbank van de gemeente vind ik nog een foto van de Curaçaostraat in 1930. Wat een stilte.PRKBB00082000001