Koek en zopie


Gewoon een raampje. Nou gewoon? Waarom zit dat raampje er? Plaats van handelen: Postjeskade Amsterdam. Het water daar is altijd “warm”, maar één jaar lag er voldoende ijs om te schaatsen. Alhoewel langs de randen het water soms omhoog kwam. Het was in de winter van 1962 en 1963. Waar in maart nog sneeuw lag in de straten. Waar je sliep onder stapels oude dekens en winterjassen. De kachel in de woonkamer de enige warme plek was in huis. En het kolenhok snel leeg was zodat bijna dagelijks de gang naar de fietsenmaker werd ondernomen om kleine zakjes antraciet te halen. En het ijs niet van de ruiten kwam.
In die winter vroor de Postjeskade eindelijk dicht. Op weg naar school kwamen we er langs. En wij schaatsten, schaatsten en schaatsten. Op onze onderbind schaatsen. Met je vingers zo koud dat je de knopen niet uit de banden kreeg. Of de bandjes knapten, verspocht van het vocht. En bij het pootje over bengelden de schaatsen naast mijn laarzen. Blauwe knieën van het vallen. De winkelier zag er wel brood is. Snel hakte hij een gat in zijn schuur en het werd een koek en zopie raam. Daarom zit daar nog dat raam. Een relikwie van een koud verleden zorgvuldig opgeborgen in ons geheugen.
 

Advertenties

Het pleintje

Het is nu een verwaarloosd gemeentetuintje. Verboden om te spelen. Plaats van handelen? Ons plein in de Curaçaostraat hoek Arubastraat. 60 Jaar geleden was het nog een echt speelpleintje. Het domein van de straatjeugd. Buitenspelen tot de lantaarns aangaan. Tussen kerst en nieuwjaar brandde bijna permanent het kerstvuur. Kerstbomen worden uit de ramen gegooid en wij slepen ze snel naar de brandstapel. Met opgerolde kranten als fakkels helpen we de ontbranding een handje. Is er geen vuur dan wordt er gevoetbald. Soms met doelen van jassen maar meestal is de regenpijp  het doel. Alle schoten op de pijp tot de knobbel is een punt. Opraaien levert de partijen.
De ramen van de gymzaal zijn gevaarlijk. Flinterdun enkel glas. Het komt wel eens voor dat de ruit sneuvelt. Dat is rennen geblazen en meestal is de bal pleitte.

Op een foto ontbreken auto’s. Naast voetbal op het plein is de straat ook bruikbaar om te putten. Voetbal met een tennisbal en de rioolputten als doel. Hier leerden we de fijnzinnige techniek die NL ooit een groot voetballand maakt. Maar ook tollen met een zweep of priktol. Met krijt worden indrukwekkende hinkeltableaus uitgewerkt. De straat is perfect voor de zeepkisten. Een platte plank met assen en kogellagers. Het verkrijgen van kogellagers lukt slechts enkelen. En echte wieltjes van kinderwagens zijn helemaal onbereikbaar voor het gros. De straat is ons domein. De straat is nu verboden om te spelen. Ja, waar zijn de kinderen eigenlijk gebleven?
Op de beeldbank van de gemeente vind ik nog een foto van de Curaçaostraat in 1930. Wat een stilte.PRKBB00082000001

Het landje, mijn landje

20171020_152730_1508506131956
Bos en Lommer door Dolf Kruger

Hij is er nog, de lange tunnel onder de Cornelis Lelylaan in Amsterdam. Struinend door het groen probeer ik ruim 50 jaar terug te gaan. Maar ik kan de ingang niet meer vinden. Ooit ben ik er doorheen gevaren op mijn vlot. Best link, want ik sta niet bekend als een geoefend zwemmer. Ik zak zelfs een keer voor mijn zwemdiploma en verder dan A ben ik niet gekomen. Maar ik ben er nog steeds. Ergens in de tunnel staat mijn naam. Met modder op de wand geschreven. Ooit zullen wetenschappers deze 60er jaren tekening proberen te duiden.  Als ik niet voetbal op het pleintje zit ik op ‘het landje’. Hutten bouwen, slootje springen, vuurtje steken en stekelbaarsjes en dikkopjes  vangen. Deze staan tot hun dood in een wekfles in het keukenraam. Het landje is een opgespoten gebied tussen Oud-West en Nieuw-West. Een wildernis van wilgen met daar doorheen paadjes en waterplaatsen. Het gebied waar Nieuw-West vocht met Oud-West. Nu is het het Rembrandtpark. Het is ons domein. Bea en ik gingen ’s ochtend vroeg naar het landje om de kindermis te ontlopen. Het landje is anarchie, alles mag en toezicht is afwezig. Anders dan nu. Als tegenwoordig een kind naar lucifers kijkt krijgt het al een taakstraf van Halt. Menig keer ben ik thuisgekomen met een nat pootje of stinkend naar rook. Opmerkelijk genoeg worden we daar nooit op aangesproken. Wat een ouders! We zijn vrij. Hebben nog geen GPS track bij ons waarmee pa en ma ons in de gaten houden. Er wordt nog niet op ons gepast door opa’s en oma’s.

In de schaarse foto’s van onze familie is er één foto van mijn broer Nico en het landje. Hij staat in zijn keurige, te korte, gebreide trui en broek op hoog water voor het landje. Op de achtergrond zijn de resten van de kassen die naar Sloten verhuisden nog te zien .
Vele steden in de groei hadden landjes. Het landje is dan ook  inspiratie bron voor veel fotografen om de zo specifieke voor die tijd zwart wit foto’s te maken. Schrijvers als J.J. Voskuil (Onder andere) en Nicolaas Matsier (Gesloten huis) schrijven er mooie verhalen over.
Het is mijn ideale speeltuin: het landje, mijn landje.

De laatste rit van de Kreidler

Je moet maar gek zijn. Verkering op afstand. Alhoewel B mij later volledig overtreft. Maar ja, straalverliefd op de bruine ogen. Anneke heet ze. Zo stapel als ik ben op haar, zo moeizaam gaat ze om met mij. En ja hoor binnen 6 weken was iets uit wat nauwelijks was begonnen. Na een avond aan de tafel van pa en ma in Aalsmeer krijg ik de bons.  Kudt, en dat na 6 weken!

De Kreidler staat klaar. Ik heb hem een jaar niet gebruikt. Maar iedere keer op de fiets is ook te veel van het goede. Hij is saai beige. Maar met mijn gebrekkige kennis wel “deskundig” opgevoerd. Een grote uitlaat en tandwiel voor, een grote sproeier en wat vijlen aan de poorten en vlakken van de kop. Hij komt traag op gang maar als hij loopt dan gaat het goed, 90 km haal ik dan. Echt waar! Razend rijd ik terug. G$%^&^%$!, de grote vakantie begint en ik heb geen vriendin. Voor het Olympisch Stadion gaat het mis. Ik kom lekker hard van de brug over het Zuider Amstelkanaal. Ik rem af en gooi hem deskundig in de bocht. Pang, achterremkabel kapot! Ik rijd recht op het bushokje aan. In wanhoop gooi ik hem in zijn eerste versnelling. Slechts een doffe knal tussen mijn benen en wat gereutel van tandwielen. Het bushokje is al dichterbij. Maar ik heb geluk. Er zit een auto tussen mijn brommer en het bushokje die ik vakkundig van voor tot achter openhaal. Het is een groene auto. Er zit nog steeds een stukje groene lak in mijn pink. Ik sla tegen het asfalt. In de ziekwagen word ik afgevoerd naar de VU. Ik kom er goed vanaf. Pink verbrijzeld en wat schrammen. Natuurlijk geen helm op. Die is nog niet verplicht. Een week later teken ik op het politiebureau op de Overtoom de afstandsverklaring van mijn Kreidler. Hij is total loss. Mijn 13e brommerongeluk is ook meteen het laatste. Maar ja, wat heb ik een geluk.

Anneke komt nog een keer langs die eenzame vakantie in 73. Ik krijg een boek. Weet niet meer welk. Het werd een doodsaaie lange zomer. In mijn dagboek lees ik dat ik erg begaan was met mezelf.
Dan ontvang ik in april 1974 een brief van haar. Ze wil een 2e poging. Beppie uit Arnhem, opgeduikeld op het carnaval in Nijmegen, moet er aan geloven als ik een nieuwe poging waag. Ik serveer haar laf af met een brief. De opening van het antwoord is helder: ‘Gerard bedankt voor je leuke brief je had het beter afgelopen weekend kunnen bespreken met mij, want dan had ik me kunnen verdedigen er blijft nl niet veel goeds over van mij’. Maar boontje komt om zijn loontje. Enkele weken later krijg ik voor de tweede keer de bons. Op de weg terug naar huis krijg ik aan de rand van Amstelveen een lekke fietsband. Het is een warme avond en als ik langs de cafés loop staan de mensen buiten een pils te drinken. Geen geld bij me. Ik vloek binnensmonds maar ben wel veilig thuisgekomen.